Psychologen Praktijk Stiens
Psychologen Praktijk Stiens
058 - 257 5915 - info@psycholoogstiens.nl

 

 

Literatuur

 Voor de inleiding behorende bij  artikel Anneke Hol & Steven Meijer in DTh zie punt 4. Het volledige artikel is op te vragen bij de therapeut.

  1. Artikel "Voor de donder wel bang" , Algemeen Dagblad.
    - interview met P.M. Meindertsma
    Klik hier om te downloaden
     
  2. Een ambulante groepsgedragstherapie binnen een christelijke setting: een alternatief, 5, 140-146. tijdschrift Psyche en Geloof, 1994.
     - Meindertsma, P.M., & Mak-Bakker, E. (1994) 
     - kopie te verkrijgen tijdens uw sessie.
     
  3. Artikel "bang voor de bliksem, ga eens googelen", leeuwarder Courant ( augustus,2009)  
     
      

    Bang voor de bliksem? Ga eens googelen

    Geen periode van warmte gaat in dit land voorbij of hij eindigt met onweer. Voor sommigen bij voorbaat al voldoende om onder de tafel te kruipen. Hoe kom je weer af van die bliksemfobie?

    Door Stef Altena

    STIENS – Helemaal ongelijk hebben ze niet, de mensen die het al bij de voorspelling ervan Spaans benauwd krijgen van onweer. Jaarlijks worden in Nederland gemiddeld twintig mensen door de bliksem getroffen, van wie vijf het niet meer na kunnen vertellen. ,,Der binne minder reële angsten”, zegt klinisch psycholoog Pieter Meindertsma uit Stiens.

    Geschat wordt dat een procent van de bevolking in meer of mindere mate last heeft van angst voor donder en bliksem. De meesten van hen hebben het in zo’n lichte vorm dat ze met de bliksemvrees prima kunnen leven. Een minderheid heeft er echter zoveel last van dat het hen beperkt in hun dagelijks bestaan.

    In deze gevallen is er sprake van astrafobie, zoals de vrees voor onweer officieel heet. In extreme gevallen houden ze de hele dag het weerbericht in de gaten en komen ze de hele dag hun huis niet meer uit. Plekken waar de kans op onweer groot is, zoals bergen, worden gemeden.

    Fysiek uit de angst van astrafoben zich in een versnelde hartslag, ademhaling en ze beginnen te hyperventileren. Meindertsma: ,,Sawol geestlik as fysiek fielt de persoan him sear ûnprettich. It angstgefoël wurdt dan fersterke.”

    De angsten ontstaan vaak al op jonge leeftijd, niet zelden door een angstige ervaring. ,,Sa’n belevenis wurdt dan keppele oan gebeurtenissen. Fjoer, donder, bliksem.” Kinderen uit gezinnen met ouders die angstig reageren op onweer, lopen een grotere kans op een vorm van astrafobie.

    De gedragstherapeut behandelt in zijn praktijk in Stiens meerdere cliënten voor deze angst voor donder en bliksem. Bijna in alle gevallen kampen deze personen ook met andere problemen. ,,Se melde harren faak oan foar saken as stemmingsstoarnissen. Yn de behandeling docht faak bliken dat se dan ek lest hawwe fan fobieën foar bygelyks spinnen of tonger”, zegt Meindertsma.

    Alle soorten angst worden door hem, net als door de tientallen andere psychotherapeuten in de provincie, op dezelfde wijze behandeld. Met cognitieve gedragstherapie wordt geprobeerd de patiënt in te laten zien dat zijn gevaarlijke denkbeelden over onweer, in werkelijkheid heel erg meevallen.

    ,,Dat doche wy mei de saneamde ‘socratische gedachte’. Minsken self der achter komme litte hoe reëel it gefaar fan tonger werklik is. By gelyks troch sy googelje te litten op it ûnderwerp”, zegt Meindertsma. Kennis over het ontstaan van een onweersbui kan ontnuchterend werken, evenals het besef hoe weinig vijf onweersdoden per jaar eigenlijk zijn.

    De volgende fase is die van ‘exposure’, het langzaam kennis maken met het angstonderwerp. In het geval van astrafobie kan dat met geluidsopnamen van onweer. Mensen met een beetje angst voor onweer hoeven zich niet direct onder behandeling te laten stellen. ,,In bytsje angst is júst ferstandich.”

     

                                  

 4.

Anneke Hol & Steven Meijer, Dth, 2013, nummer 1.

Nieuwe ervaringen en veranderde gedachten 

Behandeling van een vrouw die niet met haar

man mee durfde te zeilen

 Dat de techniek van exposure werkt bij de behandeling van fobieën is bekend. Er is echter nog geen eenduidigheid over het werkingsmechanisme van exposure, hoewel de meeste evidentie in de richting van extinctie gaat (Craske, Liao, Brown & Vervliet 2012; Craske et al., 2008; Craske & Barlow, 2008, voor een uitgebreid overzicht van relevante onderzoeken). In lijn met deze bevindingen menen wij dat exposure nog steeds en naar ons idee onterecht, te veel verklaard  wordt volgens het werkingsmechanisme habituatie. Habituatie betekent ‘gewenning’ en vindt doorgaans plaats bij het aanbieden van een ongeconditioneerde stimulus zoals een pijnprikkel. Habituatie-effecten zijn doorgaans tijdelijk (Craske et al., 2008). Conform de inzichten voortkomend uit het onderzoek van met name Craske et al. (2008), is het effect van exposure volgens ons toe te schrijven aan extinctie. Extinctie wordt door Craske et al. (2008) gedefinieerd als een gevolg van inhibitory learning: het opdoen van nieuwe functionele kennis aangaande de angstopwekkende stimulus en de relatie met de gevreesde ramp. In dit artikel wordt deze methode geïllustreerd met een casusbeschrijving van een cliënte met zeilangst.